De haute couture van AureLéon Duluc, in het werk en leven van Félicien Rops

Het Félicien Rops museum in Namen is gewijd aan Namens meest bekende én geschandaliseerde kunstenaar. De collectie etsen, tekeningen en schilderijen herbergt enkele topstukken en is sowieso een bezoekje waard. In het museum trok ook een opvallende jurk mijn aandacht. Een avondjurk van het Parijse modehuis Duluc.

Aurélie en Léontine Duluc stonden, samen met hun zus Marie, aan het hoofd van ‘Maison Duluc’ (1867-1889). Félicien Rops ontmoette de dames tijdens zondagse pleziervaartjes in de Franse hoofdstad, waar kunstenaars en mode-artiesten vaak aan deelnamen. Behalve op Parijs, werd Félicien er ook verliefd op Aurélie en Léontine. Die liefde bleek wederzijds en groeide uit tot een heuse menage à trois.

In het Félicien Rops museum zijn verschillende schetsen van Rops te vinden, die hij maakte voor het modehuis, waarbij de kwaliteit en de luxe van deze haute couture van het papier springt. De galante Parisiennes van midden en eind 19e eeuw paradeerden in de luxueuze avondjurken van Maison Duluc. Ongetwijfeld is de mode van Duluc van invloed geweest op het werk van Rops, en omgekeerd.

De jurk van Maison Duluc is één van de weinige werken in textiel die het museum tentoonstelt. Het is een elegante zwarte avondjurk die tot aan de grond reikt, met een klein sleepje achteraan. De lange mouwen, hals, borst en taille zijn afgewerkt met gouden en zwarte borduursels, fijne draden met parels, edelstenen en metalen versieringen. De rug is volledig uitgewerkt in dezelfde verfijnde stijl. De zwarte en gouden bloemen, geborduurd op een licht doorschijnende stof, bedekken suggestief de schouderbladen. De dame voor wie deze jurk bestemd was, heeft er die avond wellicht de show mee gestolen. Gezien het ontbreken van een hoepelrok of crinoline, is deze jurk waarschijnlijk eind 19e eeuw te dateren. Een precieze datum is niet bekend.

Het familiebedrijfje Maison Duluc had maar liefst tien werknemers in dienst en vestigde zich in de meest prestigieuze wijken van Parijs. Het is jammer dat er in de mainstream literatuur over Félicien Rops vaak enkel wordt verwezen naar de ‘twee naaistertjes of hoedenmaaksters’ (naar de Franse woorden ‘couturiers’ en ‘modistes’) waarmee Rops een affaire had. Deze dames runden een succesvol bedrijf, stonden financieel volledig op eigen benen en hun relatie was van een langdurige en duurzame aard (zo’n dertig jaar, tot aan de dood van Rops). De briefwisseling tussen ‘AureLéon’ en ‘Féli’, zoals ze in hun brieven naar elkaar verwezen en ze ondertekenden, is getuige van deze intense relatie.  

Rops ontwierp verschillende logo’s voor het modehuis, waar we verschillende adressen van kunnen afleiden. In 1889 opent zelfs een laatste filiaal in New York: “Rockwell et Duluc”, na een commerciële reis in 1884, die Félicien Rops en AureLéon Duluc ondernamen, met hun dochter Claire (geboren in 1871).

De biologische moeder van Claire mocht dan wel Léontine zijn, de drie geliefden voedden haar gezamenlijk op. Claire Rops/ Duluc/ Demolder (ze wordt met deze verschillende achternamen genoemd) bleek de artistieke genen van haar ouders te hebben geërfd. Onder de (mannelijke) pseudoniemen ‘Monsieur Haringus’ en ‘Étienne Morannes’ illustreerde zij o.a. verschillende boeken van haar echtgenoot Eugène Demolder.  

Woning Demi-Lune in Corbeil-Essonnes, foto einde 19e eeuw

AureLéon en Féli Rops kochten in 1884 hun woonst ‘Demi-Lune’ in Corbeil-Essonnes, even buiten Parijs, waar ze van hun oudere dag genoten van de opbrengsten van hun zaak en kunstenaarschap. Félicien Rops stierf er in 1898. Voor de gefortuneerde lezers: dit legendarische huis staat momenteel te koop.

Félicien Rops, Saint-Germain-en-Laye, 1876, huile sur panneau, 26 x 35 cm. Les Amis du musée Rops, en dépôt au musée Rops, inv. AMIS PE 167

Rops legde de drie belangrijkste vrouwen in zijn leven vast in dit kleine schilderijtje in impressionistische stijl. Onthoudt ze, deze bijzondere dames: Aurélie, Léontine en Claire Duluc.

Meer info op www.museerops.be

Abortion is health care

24 juni 2022 zal de geschiedenis ingaan als de dag dat vrouwenrechten in de Verenigde Staten van Amerika fors werden ingeperkt. Het Amerikaanse Hooggerechtshof besliste om het grondwettelijk recht op abortus te schrappen. Abortuswetgeving komt vanaf heden (opnieuw) in handen van de verschillende staten. Elke staat kan afzonderlijk beslissen hoe streng of soepel de lokale abortuswetgeving is.

Eline De Clercq, Artemisia, installatie in de tentoonstelling ‘Sugar for the pill’, in De Studio tijdens Antwerp Art Weekend 2022.

Een dag later werd ik op het Europese continent wakker met het nieuws dat 16 van de 50 Amerikaanse staten het recht op abortus per directe ingang (of van zodra mogelijk) verbieden of inperken. In de meest conservatieve staten zoals North en South Dakota, Missouri, Louisiana, Texas, Mississippi of Oklahoma wordt abortus strafbaar vanaf de bevruchting, zonder uitzondering. Ook niet indien de zwangerschap het gevolg is van verkrachting of incest. In Oklahoma is ook iedereen die een abortus zelfs maar aanmoedigt strafbaar. Dokters krijgen in verschillende staten tot 15 jaar cel als ze abortus uitvoeren. Vrouwen die een abortus ondergaan tot 99 jaar, dat is levenslang. Abortuspillen kan je niet langer online bestellen en je mag niet naar een andere staat reizen voor een ingreep.

Nochtans ondergaat 1 op 4 vrouwen in de Verenigde Staten tijdens hun leven een abortus. Dat aantal ligt hoger dan in België, waar het om 1 op 5 vrouwen gaat (cijfers van Fara.be uit 2019). Elke vrouw heeft haar redenen, die zijn divers en vooral niemands zaken. Die aantallen zullen niet dalen nu abortus illegaal wordt, integendeel. De podcast van Björn Soenens leert me dat hoe strenger het beleid, hoe hoger het aantal (geregistreerde) abortussen. Strengere abortuswetgeving hangt ook samen met het inperken van de informatie over abortus en toegang tot anticonceptie. Minder toegang tot anticonceptie houdt uiteraard een groter risico op ongewenste zwangerschappen in. 1 op 4 Amerikaanse vrouwen zal in een aantal staten binnenkort gedwongen worden een kind te dragen en te baren waar ze niet voor heeft gekozen.

Hoewel, het is niet omdat abortus illegaal is, dat het niet zal gebeuren. Abortus zal illegaal plaatsvinden, in veel minder veilige omstandigheden. Abortus heeft altijd en zal altijd en overal bestaan. Ik moest bij dit alles denken aan een installatie van Eline De Clercq die ik tijdens Antwerp Art zag, in de tentoonstelling ‘Sugar for the pill’, gecureerd door Zeynep Kubat.

Eline De Clercq, Artemisia, installatie in de tentoonstelling ‘Sugar for the pill’, in De Studio tijdens Antwerp Art Weekend 2022.

Eline De Clercq bracht een ode aan Artemisia, de Griekse godin van vrouwen en vrouwenwelzijn. De gelijknamige plant is gekend om haar geneeskrachtige werking bij hevige menstruatie, zwangerschap, bevalling én kan bij abortus dienen om de vrucht af te drijven. De installatie bestond uit tekst op grote stukken textiel en kruiden uit haar ‘Gesamthof’ in Antwerpen, een artistiek tuinproject met de nadruk op ecologie, kunst en lgbtqi+ activisme. Ook in mijn eigen stadstuintje bloeit de plant weelderig. De installatie in De Studio straalde rust uit. Een geruststelling waar ik als vrouw graag op terugval. Weten dat ik in dit land gelijk wanneer onder veilige omstandigheden een zwangerschap kan beëindigen, mocht het nodig zijn. Een krachtige installatie die ik las als een statement dat wij vrouwen er nooit alleen voor staan wanneer we een dergelijke moeilijke beslissing moeten nemen. Hey sister, we got your back.

Abortion IS health care.
Net zoals we als samenleving verplicht zijn om zwangere vrouwen van alle nodige medische en mentale hulp te voorzien, is het eveneens onze plicht om hen te helpen die ervoor kiezen een zwangerschap af te breken, om welke reden dan ook. Dit verbod op abortus is een inperking van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen en heeft niks te maken met het zogenaamde recht op leven van een ongeborene. Wie écht begaan is met het leven van ongeboren kinderen, investeert in kinderopvang, medische zorg, zwangerschapspreventie én steunt ook vrouwen die van een zwangerschap willen afzien. Kortom, in het welzijn van àlle vrouwen.

Zelfportretten van Vivian Maier

In Bozar loopt een kleine fijne expo van Vivian Maier.
Tijdens haar leven (1926-2009) ging ze vooral door als kindermeisje in New York en Chicago. In haar privébadkamer in het huis van een welgestelde familie waar ze jarenlang in dienst was, richtte ze een donkere kamer in, voor de foto’s die ze overdag veelvuldig nam.


Pas kort voor haar dood werd haar indrukwekkende collectie van maar liefst 100.000 tot 150.000 foto’s en negatieven ontdekt. Ze werden bewaard in een opslagplaats, maar door achterstallige huur werd haar inboedel openbaar verkocht en kwamen de foto’s op vlooienmarkten terecht. Via de Flickr-pagina van ene John Maloof die een groot deel van haar foto’s opkocht en naar informatie over deze onbekende fotografe zocht, kregen haar foto’s internationale bekendheid en waardering.

De tentoonstelling in Bozar focust op Maiers zelfportretten. Gebruikmakend van een Rolleiflex-camera, die je ter hoogte van je heup moet houden, legt ze het Amerikaanse urbane leven in de jaren ’50, ’60 en ’70 vast. Zijzelf is als fotografe zeer aanwezig in de foto’s, vaak aan de hand van haar schaduw, spiegels of reflecterende objecten die ze vindt in de stedelijke drukte.

Winkelruiten, wieldoppen, de krantenkiosk of een verlaten hoekje op de pier vormen de perfecte decors voor haar selfies. Een statement, een bewijs van wie zij was. Veel meer dan een kindermeisje. Een fotografe met een ongelofelijke neus voor de juiste invalshoek en kadrering.

De tentoonstelling belicht slechts een heel klein stukje van haar oeuvre, maar prikkelt om er veel dieper in te duiken. Vivian Maier neemt ons mee doorheen the American streetlife en legt het zonder scrupules vast op de gevoelige plaat.

Nog tot 21 juli 2022 in Bozar, Brussel.
Alle foto’s gebruikt voor dit artikel zijn afkomstig van http://www.vivianmaier.com/ en zijn ook te zien in de tentoonstelling.

Bosaardbeitjes

Het is eind mei en de grond van mijn stadstuintje is bezaaid met bosaardbeitjes.
In tegenstelling tot de grote blinkend rode exemplaren uit de supermarkt, zijn deze aardbeitjes klein en kogelrond, met een ruw oppervlak doordat de zaadjes erop liggen. De smaak is intenser, maar minder sappig.

De bosaardbei, of Fragaria vesca, komt als sinds de Bronstijd voor in onze streek. Sinds de Middeleeuwen werden ze voor medicinale doeleinden gekweekt in o.a. kloostertuinen. De aardbeien die we in de winkel vinden, kennen hun oorsprong in Amerika en werden pas enkele eeuwen geleden geïmporteerd, gekruist met andere soorten en gekweekt tot hun huidige vorm en smaak.

Adriaen Coorte, Stilleven met bosaardbeien, 1705, olieverf, papier op paneel,
14 x 16,5 cm, Mauritshuis, Den Haag

Bosaardbeitjes bleken commercieel niet interessant en zijn daarom doorheen de tijd nauwelijks van uitzicht veranderd. Het schilderijtje van Adriaen Coorte uit 1705 toont ons een tafelblad met vers geplukte bosaardbeien. Sommigen hangen nog aan een steel of hebben een kroontje. Een enkele bloem legt de klemtoon op de verschillende stadia van de plant. Het is een klein meesterwerkje. Op slechts 14 x 16,5 cm tovert de schilder een zorgvuldig gecomponeerd stilleven, waarbij de aardbeitjes die over de tafelrand bengelen, ons als kijker in het schilderij binnentrekken. De belichting maakt het tafeltafereeltje in een verder zeer sobere setting, sprookjesachtig. De zaadjes op de aardbeien lijken wel te fonkelen. Subtiel verwerkte de kunstenaar zijn naam en de datum in het donkere hout van de tafel, zonder de aandacht van de smakelijke vruchten af te leiden.

Jheronium Bosch, detail uit Tuin der Lusten, olieverf op paneel, 2,2m x 3,89m, Museo del Prado, Madrid

Of Adriaen Coorte met zijn stilleven ook een symbolische betekenis voor ogen had, is ons niet bekend. Aardbeien werden in de West-Europese kunst en literatuur vroeger vaak met vruchtbaarheid geassocieerd en worden bijvoorbeeld afgebeeld bij huwelijkstaferelen. Maar evengoed hebben ze een seksuele betekenis. In de Tuin der Lusten van Jheronimus Bosch tieren de vruchten welig, omringd of gedragen door een veelvoud aan naakte figuren. Nu is de aardbei lang niet de enige vrucht waarmee vleselijke liefde of vergankelijkheid van het aardse leven werd gesymboliseerd. De aardbei stond ook voor nobelere eigenschappen zoals vriendschap en bescheidenheid (wellicht omwille van de kleine omvang) of zelfs voor de Heilige Drievuldigheid, met dank aan de bladeren, die per drie aan eenzelfde steel hangen.

De bosaardbeitjes in mijn tuintje hebben lak aan symboliek en spreiden hun tentakels verder uit. Lieveheersbeestjes en hommels vergezellen hen.
Ik pluk snel een handvol vooraleer de slakken en de vogels ermee weg zijn.

Mémorial de l’Abolition de l’esclavage – Nantes

Aan de kaai van de Loire, met uitzicht op het Île de Nantes – de vroegere scheepswerf van Nantes en nu in volle stadsvernieuwing – ligt het Mémorial de l’Abolition de l’esclavage.
Een herdenking aan de afschaffing van de slavernij en eerbetoon aan de miljoenen slachtoffers.

Het monument ondergronds

Bovengronds is de kade – een uitgestrekte, bijna desolate plek van maar liefst 7000 vierkante meter – bezaaid met doorzichtige tegels. Er staan namen op van boten, de stad van waar ze uitvoeren of aankwamen en hun vertrekdatum. Het zijn er meer dan 2000.

Indrukwekkende glazen panelen rijzen op uit de grond. Melkglas met daarop fragmenten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, neergepend in het Frans en het Engels.
Aan de andere zijde van de kade geeft een eenvoudige roestbruine plaat de toegang aan.

Het eigenlijke monument bevindt zich grotendeels ondergronds. Aan het gedenkteken daal je de trappen af en kom je in een ruimte met een tijdslijn en kaarten. Een monotone stem dreunt de data en cijfers af. Cijfers doen een mens weinig, totdat de betekenis ervan doordringt. Cijfermateriaal over hoeveel slaven aan boord gingen, en hoeveel er uiteindelijk slechts levend in de ‘nieuwe wereld’ voet aan land zetten. Data wanneer slavernij werd afgeschaft, naast data waarop die wetten ook daadwerkelijk werden toegepast.

Je wandelt verder en komt terecht in een lange gang. Het voelt alsof je je in het binnenste van een slavenschip bevindt. Het water van de Loire klotst onder de romp door. Aan de zijkanten kan je een streepje water en lucht waarnemen. De zijde langs het land wordt in beslaggenomen door schuinoplopende platen met tekst: dagboekfragmenten van slaven, vrijheidsliederen, speeches die slavernij aankaarten of verbieden en dies meer. Tekstflarden die vijf eeuwen slavernij trachten weer te geven. Het woord ‘vrijheid’ in 50 talen, waarvan ik de meeste niet machtig ben. Het is intiem en afstandelijk tegelijk. Stemmen lezen de teksten voor en in de audio gaat de zee soms wild te keer.

In een dergelijke scheepsromp bevonden zich de slaven die getransporteerd werden als goederen. Hele logistieke systemen werden uitgedokterd om zoveel mogelijk slaven op zo min mogelijk plaats te kunnen vervoeren. Een prent uit het boek ‘la Marie-Séraphique, navire négrier’ toont hoe zo’n lading eruitzag. Het slavenverblijf onder of boven de stapelruimte voor tonnen. Ontdaan van elke menselijkheid. Geen wonder dat zoveel slaven de overtocht niet eens overleefden.

Nantes groeide in de 18e eeuw uit tot een belangrijke havenstad, zo’n 50 kilometer van de Atlantische oceaan, en werd een draaischijf in de zogenaamde ‘commerce triangulaire’. Het werd het centrum van de Franse slavenhandel. Deze driehoekshandel verbond Europa, Afrika en Amerika met elkaar. Zwarte slaven werden in Afrika geruild tegen gegeerde Europese producten zoals textiel en wapens. Eens in Amerika aangekomen werden de slaven als werkkrachten of eigendom geruild tegen koloniale grondstoffen. Suiker, koffie, cacao en tabak waren erg in trek. Vooral Brazilië werd een bijzondere afzetmarkt. De Europeanen op het oude continent kwamen op die manier nauwelijks in aanraking met slaven, het was een ver-van-hun-bed-show, waarbij ze wél konden genieten van de luxegoederen uit Zuid-Amerika.
Dergelijke slavenhandel duurde tot diep in de 19e eeuw, hoewel eerder al pogingen werden ondernomen om dit af te schaffen.

Kaart in het monument die de driehoekshandel visualiseert.

Nantes kende een grote economische bloei dankzij de slavenhandel. Vele huizen van de slavenhandelaars staan nog steeds met veel bravoure te pronken in het oude stadscentrum, zoals deze huizenrij aan het drooggelegde Île Feydeau.

De stad gaf in 1998 opdracht voor het slavenmonument, tijdens de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij in Frankrijk. Aanhoudende publieke acties van burgers om de slachtoffers van slavernij te erkennen, zorgden mede voor deze beslissing van het stadsbestuur.

Statige huizen van de slavenhandelaars aan het drooggelegde Île Feydeau. De huizen zakken weg door de zwakke ondergrond.

Op 25 maart 2012 werd het monument, een ontwerp van kunstenaar Krzysztof Wodiczko en architect Julian Bonder ingehuldigd. Het is werelds grootste monument in deze context. Met eenvoudige en onaffe materialen (gerecycleerde stenen van de kade, ruw beton, scheepshout en glas) creëerden zij een overdonderende en tegelijk zeer intieme en fragiele ruimte. Het schaarse licht en de soundscape, maar evengoed de geluiden, geuren en schaduwen van passanten en van de Loire, maken van dit monument een treffende totaalbeleving.

Interessant is dat dit monument niet op zichzelf staat. Een structureel programma kadert de koloniale slavenhandel van de afgelopen eeuwen. Ook andere instellingen, zoals het stadsmuseum dat zich in het Château des Ducs de Bretagne bevindt, besteden uitgebreid aandacht aan de problematiek.

Nantes heeft een manier gevonden om deze zware geschiedenis een plaats te geven. Niet langer verdoezelen, verzwijgen (of zelfs verheerlijken), maar met de nodige duiding bespreekbaar maken. Deze stad werd groot, mede dankzij de slavenhandel. Dat is een geschiedkundig feit. Je kan geschiedenis niet zomaar wegwissen. Je kan er wel voor kiezen om de dialoog aan te gaan. Opdat dit nooit vergeten wordt en nooit meer weerkeert.

Veel dank aan Marc Martens om zijn kennis en enthousiasme voor Nantes en haar geschiedenis te willen delen. Ik kon me geen betere gids voorstellen.

Meer info: memorial.nantes.fr

Er groeide eens een ananas in Nederland

Het Mauritshuis in Den Haag bestaat 200 jaar en viert dat met de expo ‘In volle bloei’. De tentoonstelling is gewijd aan bloemstillevens en botanische tekeningen. Ik maak er kennis met Agnes Block, een vooraanstaande vrouw uit de 17e eeuw, die zich in Amsterdamse intellectuele kringen van botanici en kunstenaars ophield. In het landelijke Vecht hield ze er een eigen kweektuin op na, de Vijverhof. Ze ruilde zaden en plantgoed, onderzocht ze en liet ze door kunstenaars in verschillende stadia optekenen en naschilderen.

Jan Weenix, Portret van Agnes Block en Sybrand de Flines, met twee kinderen, 1696, olieverf op doek, 84 x 111 cm, Amsterdam Museum, Amsterdam.

Het schilderij van Jan Weenix uit 1696 toont een familieportret van Agnes Block, haar (tweede) echtgenoot Sybrand de Flines en twee kinderen, vermoedelijk haar stiefkleinkinderen. Niet zozeer de geportretteerden of de verschillende bloemen, hondjes en vogels (Agnes hield ook een volière met tal van exotische vogels), maar wel de kleine ananasplant linksonder eist mijn aandacht op.

Agnes Block was de eerste die in 1687 succesvol een ananas in Europa, op Nederlands grondgebied, wist te kweken tot een volmaakte smakelijke vrucht. Het exemplaar van Zuid-Amerikaanse afkomst, had veel te danken aan haar zorgvuldige toewijding, maar nog meer aan de uitvinding van de serre. De Vijverhof had een grote oranjerie op het terrein staan, waarin exotische planten konden gedijen. Het kweken en verzamelen van exotische planten had vooral wetenschappelijke doeleinden, én het verhoogde de status van de kweker aanzienlijk. Winstgevend zou het nooit worden in het koude Nederlandse klimaat.

J. Boskam, zilveren munt met het portret van Agnes Block (rechts) en personificatie van Agnes Block als Flora Batavia (links) met de ananas en cactusplant rechtsonder, tuintje en oranjerie op de achtergrond, 1700, Centraal Museum, Utrecht.

Eén van de kunstenaars die een poos op de Vijverhof in Vecht verbleef, was niemand minder dan de befaamde Maria Sybilla Merian. Zij had er ongetwijfeld vooral oog voor de collectie opgespelde vlinders en andere vliegende insecten die Block verzamelde. In de tentoonstelling In volle bloei zijn enkele van haar tekeningen te zien, waarvan eentje – toeval of niet – een onrijpe ananas afbeeldt, afkomstig uit haar befaamde Metamorphosis Insectorum Surinamensium, gepubliceerd in 1705.

Merian was van kinds af aan door rupsen en hun transformatieproces tot vlinders begeesterd. Haar moeder handelde in zijde en had zodoende zijderupsen in huis, dat heeft ongetwijfeld haar interesse aangewakkerd. In Amsterdam kwam Merian in contact met diezelfde kring vaan botanische wetenschappers, liefhebbers en kunstenaars en kreeg ze de kans om verschillende rariteitenkabinetten te bezoeken waar gedroogde uitheemse insecten te zien waren. Maar Merian wilde meer. Ze wilde weten hoe de ‘beesjes’ zich ontwikkelden en ondernam met haar jongste dochter een risicovolle reis naar en doorheen de Surinaamse jungle. Haar boek opent met twee platen van de ananasplant, ‘zijnde de voornaamste aller eetbare vruchten’.

Het Midden-Amerikaanse Suriname was op dat moment een Nederlandse kolonie (sinds 1667). Voor een hedendaagse lezer is het wat wrang om af en toe in de notities van Merian ‘mijn Indiaan‘ te lezen. Slavernij werd er pas in 1863 afgeschaft. Merian liet zich in elk geval bijstaan door de inheemse bevolking om haar wegwijs te maken in de jungle, haar op de verschillende insecten te wijzen en vooral ook op hoe je hun voedingsplanten kan kweken. Zo beschrijft Merian bij deze platen van de ananas niet alleen hoe die smaakt (als of men druiven, appricosen, aalbesien, appel en peeren onder een gemengt hadden, die men alle te gelyk daar in proeft), hoe je de vrucht moet eten (verwijder de schil dik genoeg, want die kan de tong veel pijn veroorzaken), maar ook hoe je de uitschietende spruiten van de kroon zo weer kan planten en binnen de zes maanden een nieuwe rijpe ananas mag verwachten. Merian gebruikt in haar boek trouwens de benamingen die door de inheemse bevolking worden gegeven. ‘Ananas’ betekent in het Tupi (taal van de Tupi-indianen) uitmuntende vrucht. Dit in tegenstelling tot de Spaanse benaming piña of de Engelse pineapple.

Een uitmuntende vrucht, dat vinden niet alleen mensen, maar ook de beesjes die Merian bestudeerde. Op de linkerplaat wemelt het van de kakkerlakken in de verschillende levensstadia, van zaad tot het grote gevleugelde exemplaar. Ze omschrijft het diertje als de bekendste alle insecten in America, wegens de groote schade en ongemakken, die zij allen Inwoonderen aandoen. Op de afbeelding rechts geeft ze de transformatie van een rups weer die ze op een rijpe ananas vond en die zich in een periode van 18 dagen ontpopte tot een vlinder.

Anna Ruysch, Bosgrond met bloemen, olieverf op doek, 48 x 36 cm, Privécollectie
Anna Ruysch was de jongere zus van de welbekende Rachel Ruysch, van wie een bloemstilleven in de permanente collectie van Mauritshuis te bewonderen is. Van Anna Ruysch zijn slechts enkele werken bekend.

In de tentoonstelling in het Mauritshuis komen we wel meer insecten en andere kleine diertjes tegen, zoals op dit mooie werkje van Anna Ruysch. Wie tijd neemt en goed kijkt naar de bloemstillevens, ontdekt er een hele wereld aan torretjes, libellen, vlinders, wormpjes, rupsen, oorkruipers, bijen, hagedissen en slakken. Deze ‘stille’ boeketten en bosgrondjes zijn zo tegelijk uitbundige vieringen van al die kleine wezentjes die onze natuur bevolken.

De tentoonstelling In volle bloei is nog tot en met 6 juni 2022 te bezoeken in het Mauritshuis, Den Haag.

Geoffray, Bîla, Stefan en een Japanse sierkers.

Het is lente, het seizoen waarin de bomen bloesemen en geuren.
De eerste warmere zonnestralen breken door. Het geeft hoop.

Met dank aan wat treinvertragingen, heb ik tijd om even te genieten aan de Brusselse Kunstberg en passeer ik langs een prachtige witte Japanse kerselaar in volle bloei. De fijne witte bloemetjes met een roos hartje zijn een lust voor het oog. Vincent Van Gogh wist de vergelijkbare amandelbloesem meesterlijk in verf te vangen op het schilderdoek.

Vincent Van Gogh, Amandelbloesem, 1890, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Een nestje in de kruin kondigt nieuw leven aan, maar het zijn vooral de kleurrijk beschilderde vogels tussen de takken en de handschoenen aan de stam die mijn aandacht trekken. Er staan namen op geschreven. Vooral veel mannennamen, met hun leeftijd bij.

Bîla, 60 ans. Geoffray, 26 ans. Stefan, 47 ans. Mohamed en André, leeftijd niet leesbaar.

Het scheef hangende bordje vertelt me dat deze boom een levend monument is, ter ere van de doden van de straat. Het initiatief gaat uit van een Brussels collectief, dat sinds 2005 ijvert voor een waardig afscheid voor Brusselse Straatbewoners. De boom werd op 2 maart 2011 geplant. De tekst die bij de inhuldiging werd voorgedragen, neem ik over van hun website:

Straks planten we een boom.
Een tastbaar monument voor de doden van de straat.
Een rustige, stille getuige van een realiteit
waar vaak zomaar aan voorbij gegaan wordt.
Hij zal ook ‘op straat leven’, in weer en wind,
zonder beschutting, in de openbaarheid.
Een herinnering aan de hardheid van het straatleven.
We hopen dat zijn standvastigheid kracht moge geven
Aan zij die nog op straat leven.

Een boom leeft langer dan wij, hij toont ons de verschillende fasen van het leven elk jaar opnieuw –
Geboren worden, groeien, bloeien, vrucht dragen en uiteindelijk sterven.
We hopen dat de voorbijgangers aan de straatdoden zullen denken
Zolang die boom mag leven.

Straks planten we een boom
als levend symbool van de hoop.

Het is prachtig en ontzettend droevig tegelijk. Meer informatie vind je op http://straatdoden.brussels

Tunnels onder het water

Morgenvroeg steken mijn kinderen het kanaal over, naar Engeland. Met de boot heen, met de trein terug.

Britse en Franse mijnwerkers ontmoeten elkaar onder het Kanaal, 1990

Het deed me terugblikken op één van de meest fascinerende nieuwsberichten uit mijn kindertijd: het televisiemoment waarop Britse en Franse mijnwerkers na maandenlang graven elkaar de hand schudden, zo’n 38 kilometer diep onder het kanaal dat het Verenigd Koninkrijk van het Europese vasteland scheidt. Het was 1990 en het duurde nog vier jaar vooraleer de Kanaaltunnel officieel werd ingewijd.

Andere nieuwsfeiten die op mijn netvlies zijn gebrand tussen 1990 en 1994, variëren tussen gitzwart en geweldig: de strubbelingen in Rwanda en de zware genocide die volgde, de afschaffing van het apartheidsregime in Zuid-Afrika, Golfoorlogen en de geboorte van mijn zusje (ok, dat was misschien geen nationaal nieuws).

Elke keer ik met de roltrappen neerdaal tot in de voetgangerstunnel die linkeroever verbindt met het centrum van Antwerpen, ervaar ik eenzelfde gevoel, als ik bij het zien van die twee mijnwerkers had. Nederigheid, bewondering en dankbaarheid voor deze geweldige prestatie. Zelfs bij de duizendste keer ondergronds oversteken (of misschien is ondersteken een correcter woord in deze context).

Roltrappen in de voetgangerstunnel onder de Schelde (c) Karol Gheeraert

Het bericht van die ontmoeting in de toekomstige Eurotunnel is voor mij nog steeds een symbool voor de wil van mensen, ook op politiek niveau, om eerder te willen verbinden dan te strijden of te polariseren. Ook al waren de motieven – uiteraard – vooral economisch. Ook al stemde die Britse mijnwerker nadien voor Brexit.

Terwijl we alweer overrompeld worden door verslaggeving en opiniestukken van een woelig strijdtoneel, hoop ik stilletjes op een nieuwsbericht als dit. Eentje waardoor we niet vergeten dat de meeste mensen deugen en verbinding ons zoveel voorspoed kan brengen.

De taart van Clara Peeters

Deze taart van Clara Peeters kreeg ik bij wijze van verjaardagswens toegestuurd van een oud-collega. Nieuwsgierig naar hoe die taart zou smaken, nam ik een duik in het oeuvre van deze bijzondere 17e eeuwse kunstenares. Een meesteres in het tafelstilleven.

Clara Peeters, Tafel met kleed, zoutvat, vergulde staande schaal, pastei, kan, porseleinen bord met olijven en bereid gevogelte, 1611, olieverf op paneel, 55 x 73 cm, Prado, Madrid

Over het leven van Clara Peeters weten we nagenoeg niks. Ze woonde en werkte waarschijnlijk in Antwerpen en moet ergens eind 16e eeuw geboren zijn. Gelukkig signeerde ze haar schilderijen en een aantal werken zijn ook door haar gedateerd. Een eerste werk is van 1607, de meeste werken duiken op tussen 1611 en 1620.

Nagenoeg al haar werken zijn stillevens, een genre dat erg in trek was bij de elite. Clara Peeters was bij de eerste schilders uit onze streek die zich toelegde op zogenaamde tafelstukken. Dure schalen met exotische vruchten, vazen met bloemen uit alle seizoenen, porseleinen borden uit China, wijnglazen à la façon de Venise, gevogelte en vis, klaar voor bereiding, maar ook tafels vol dessertjes!

Op deze tafel zien we van links naar rechts een bord met een wit broodje en een zilveren mes waar in het zwaar gedecoreerde handvat de naam van Clara Peeters gegraveerd staat, een sinaasappel en -partjes, een zilveren zoutvat, een vergulde tazza, een Roomer-wijnglas, een kruik afkomstig uit het West-Duitse Siegburg, een schaal met gebraden gevogelte en een porseleinen bord vol groene olijven. Centraal zien we een smakelijke taart. De tafel is voorzien van een duur linnen damasten tafelkleed met hier en daar bloemblaadjes en kleine takjes rozemarijn. Klaar om zo aan tafel te schuiven!

Dergelijke tafelstukken hadden uitdrukkelijk de bedoeling om op te scheppen. Dit is geen dagelijkse scène, zelfs niet voor gegoede burgers. Zowel het voedsel als het eetgerei is duur en dat mag de toeschouwer weten. Gevogelte verwijst vaak naar de jacht, een sport waar de adel graag mee uitpakt. Olijven en sinaasappels kwamen van Zuid-Europa, het porselein werd uit China geïmporteerd en was bijzonder gegeerd in Europa en zout was weliswaar onmisbaar in de keuken, maar ook heel erg duur.

Hoewel ik zelf meer een dessertjesliefhebber ben, heeft deze taart ongetwijfeld een eerder hartige vulling. Taarten werden in die tijd zowel met vis of gevogelte als met zoet fruit gevuld. De andere etenswaren op deze tafel doen vermoeden dat de taart een hartige pastei is.

Niet getreurd: Clara Peeters schilderde ook stillevens waar zoetebekken het water van in de mond krijgen. Zoals het uitgebreid dessertenbuffet hieronder.

Clara Peeters, Stilleven met taart, zilveren tazza met snoepgoed, porselein, schelpen en oesters,
ca. 1612/1613, 51,2 x 84,2 cm, privécollectie Rusland

Koekjes, suikergoed, gekonfijt fruit, een echte Vlaamse vlaai, amandelnootjes, maar vooral: een heerlijke en prachtig versierde taart, met takjes rozemarijn, hangertjes in de vorm van aardbeien en kunstbloemen van papier. Proficiat aan het feestvarken en smakelijk!

Een boom voor Levina Teerlinc

In het Koningin Astridpark in Brugge staat de Levina Teerlinc-boom, genoemd naar de zestiende-eeuwse kunstenares die in Brugge werd geboren. Het is een indrukwekkende treurbeuk die je aan de ingang van het pittoreske park verwelkomt.

Levina Teerlinc-boom, Astridpark Brugge, (c) Karol Gheeraert, foto genomen tijdens Wintergloed 2021

In het televisieprogramma Meer vrouw op straat, dat in het voorjaar van 2020 op Canvas werd uitgezonden, riep Sofie Lemaire zowel burgers als steden en gemeenten op om werk te maken van meer vrouwennamen om straten, pleinen, bruggen – en ook bomen – mee te sieren. Het leverde 141 nieuwe vrouwennamen in de openbare ruimte op. In Antwerpen kan je sindsdien naar het Clara Peetershof, in Gent kan je wandelen op het Jenny Montignypad en in Brussel kan je door de Chantal Akermanstraat fietsen. Stuk voor stuk toonaangevende vrouwen uit de recente en minder recente kunstgeschiedenis. Levina Teerlinc mag zich trouwens gelukkig prijzen: niet alleen een boom werd naar haar genoemd; ze kreeg ook een eigen straat in een nieuwe Brugse verkaveling.

Levina Teerlinc, Elisabeth I, 1560-65, watercolour on vellum laid on card,
5,2 cm diameter, British Royal Collection Trust

Al is een boom, pad, hof of straat voor deze dames toch een wat schamele troostprijs. Levina Teerlinc genoot in haar eigen tijd bijzonder hoog aanzien. Na haar opleiding en eerste werkervaring (wellicht) in het atelier van haar vader – de prominente miniaturist Simon Bening – werd ze uitgenodigd door het Engelse hof van de Tudors om als hofschilder én hofdame in dienst te treden. Haar jaarsalaris van 40 pond lag bovendien een stuk hoger dan dat van haar voorganger Hans Holbein, wiens naam wél prominent in de kunstboeken opduikt. Haar uitmuntende miniatuurportretten waren tot in Italië gekend. Ze wordt tijdens haar leven o.a. vermeld in het kunstoverzicht van de Italiaanse geschiedschrijver Lodovico Guicciardini. De mannen die in de negentiende eeuw het West-Europese kunstcanon vastlegden en beslisten wat er in de musea zou hangen, schreven haar en vele andere vrouwen echter volledig weg. In de 20e eeuw deden verschillende (feministische) bewegingen verwoede pogingen om hen terug een plaatsje te geven, met wisselend succes.

Misschien is het programma Meer vrouw op straat niet meer dan een druppel op een hete plaat geweest, want het aandeel van vrouwen in de naamgeving van ons openbaar domein in Vlaanderen is niet significant gestegen. Er is uiteraard meer nodig voor een mentaliteits- én beleidswijziging. Voor mij persoonlijk was het programma een wake up call en een uitnodiging: wat kan ik met een diploma kunstwetenschappen op zak doen om de talrijke vrouwelijke kunstenaars die onze geschiedenis rijk is, meer aandacht te geven? Om die reden geef ik met veel plezier in maart een lezingenreeks Vlaamse Meesteressen. Maandag 21 maart 2022 kan je bij het Huis van de Mens in Sint-Niklaas komen luisteren naar het leven en werk van Levina Teerlinc. Heel erg welkom.